Geschiedenis gevonden door Joop de Heer
     
            
     Tekening van de kerk in 't begin van de Gouden Eeuw tussen de kerkerijt
      ( of  Wijnckelrijt) en Bobbewael.  Het eerst genoemde is waarschijnlijk het restant van de dijkdoorbraak, het laatstgenoemde
      met zekerheid het gevolg van  een doorbraak uit het midden van de 14e eeuw.
 
          
       Tekening van de kerk in 't begin van de 18e eeuw (1726) gezien vanuit het zuiden.



 
 
 
Enkele wetenswaardigheden over kerk en predikanten in Winkel.
 
     In verband met de restauratie van de kerk in Winkel krijg ik wel eens een verzoek om informatie over bepaalde historische zaken
     betreffende de kerk.
     Bij het doornemen van de vele verzamelde gegevens over de historie van Winkel kwam ik enkele aantekeningen tegen die wel leuk zijn
     om te vermelden.
     De gegevens komen uit de oude archief en betreffen kerkelijke zaken die in het gemeentearchief worden vermeld.
     Het met elkaar vermengd zijn van kerkelijke- en gemeentelijke zaken was tot de 19e eeuw niet zo verwonderlijk.
     De gemeentelijke bestuurders waren veelal eveneens bij het kerkelijke bestuur betrokken
     Onderstaand volgt een door het gemeentebestuur genomen besluit.
 
"Schepenenbank" in de kerk    
 
 
     Op 24 maart  1671 besloten Schout, Burgemeester en Schepenen, "om reden er thans grote reparaties aan de kerk dienen te geschieden,
     tevens een bank in de kerk  te maken met zitplaatsen voor de regering van deze stede. Namelijk voor de heer  Officier, Burgemeester, 
     Schepenen, Kerkmeesteren, Weesmeesteren en Armenvoogden". Men besloot de bank op de beste plaats in de kerk gemaakt moest worden. 
     Er werd zelfs een reglement  gemaakt op welke volgorde de bestuurders in de bank plaats dienden te nemen. 
     Blijkbaar ging men toch niet al te trouw naar de kerk  want er werd tevens bepaald dat degene die op zondag zonder geldige reden
     niet in de bank zou zitten, een boete verbeurde van  f  1,50. ( Toen een aardig bedrag).
 
 
 
     In de "Burgemeesters rekeningen "(dit is het kasboek van de burgemeester), treffen we op 11 september 1758 de volgende
     ontvangstpost aan : In het boedelhuis is het stellinghout met de afbraak van de kerktoren verkocht voor  f 61,40.
 
                                                             Op 9 mei 1758 worden de volgende uitgaveposten vermeld:
    "Dirk Kruyt als Schepen naar Amsterdam geweest  voor Burgemeesteren
     ten behoeve van de kerktoren".
 
     Gekocht 8000 leien tegen f 21,-- per duizend stuks   f  168,--.
     Aan telloon voor de tellers  f      1,--.
     Schipper Pieter Bronswijk van Langedijk voor de vracht van  de leien uit Amsterdam gehaald   f  9,--.
     Voor vier wagens met paarden en voerlui om de leien van het westend  van Nieuwe Niedorp te halen vermits de schuit niet
     verder kon komen  f   4,--.
     Jan Rutsen met zijn twee jongens en zijn knecht, voor het sjouwen vanaf de wagen om de leien in het koor van de kerk te brengen  f    1,45.
     Impost (belasting) van de leien met zegel   f   4,60.
 
     Dirk Kruyt en Klaas Wit voor de reis naar Amsterdam om de leien te kopen   f   8,--.     
     Willem Zwaan te Medemblik voor stellinghout tot de toren te stellen    f   41,50.
     Idem, voor geleverd hout tot gebruik aan de toren    f   195,55
     Jan de graaf van Hoorn , voor het leidekken aan de kerktoren en lood leggen met solderen en het werk van zijn knecht    f   234,--
     Pieter Ruyter voor het vergulden van het zeepaard op de kerktoren
     en het verven van de Kloot  f 3,42.
     Klaas Bras voor reparatie  aan het zeepaard en geleverde spijkers tot de toren  f   15,--.
     Ijsbrand Bootsman te Alkmaar voor 733 pond lood   f   91,68.
     Jacob Stadt, voor geleverd hout en arbeidsloon aan de kerktoren   f   41,30.
     Elias Smet, voor geleverd bier aan de werklieden  f   12,16.
     Gerrit Smit, voor geleverd ijzerwerk, spijkers en arbeidsloon aan de kerktoren   f   50,58.
     Aan Aerjen Timmerman met zijn knecht Jacob Schilder voor arbeidsloon   f   50,50.
     Klaas Hoek, voor steen, kalk cement en arbeidsloon  f 76,10.
 
 
     Boven staande uitgaven kwamen voor rekening van de gemeente en werden dan beschouwd als subsidie.
    Tevens is nuttig op te merken dat de kerktorens toen de eigendom waren van het kerkgenootschap, de burgelijke gemeente
     kreeg zeggenschap over de torens in de tijd van Napoleon.
 
 
Het beroepen van een dominee.
 
    In het jaar 1768 moest er in Winkel een nieuwe dominee beroepen worden. De gedachten gingen uit naar  ds. Verburg van Westgraftdijk .
    De kerkenraad ging met paard en wagen van Simon Hauwert naar Westgraftdijk om de predikant te horen.
    De gemeente betaalde voor die reis  f   44,40.
    Men oordeelde dat ook "de burgerij de predikant moest horen". Daartoe vervoerde schipper Rens Slot  "het volk uit Winkel"
    twee keer met zijn schuit, tegen een vergoeding van    f  22,--
    De dominee nam het beroep aan en werd voor rekening van de gemeente verhuisd.
    Schipper Boerdijk maakte twee reizen naar Westgraftdijk om het huisraad op te halen,
    de kosten waren     f   44,--.
    Floris Kruyt maakte één  reis met zijn schuit   f 14,--.
 
 
                                                                                                   Predikant uit Bergen
 
    In december 1775 moest er weer een nieuwe dominee komen, de kerkenraad en
    "het volk uit Winkel" gingen met paarden  en wagens naar bergen om Ds. Andreas Kok te horen.
    De onkosten die de gemeente aan de kerkenraad betaalde voor het vervoer  van paarden en wagens bedroeg   f   64,88.
    Op 14 en 15 januari 1776 werd betaald aan "verschijdenen werkvolk voor het opruimen van sneeuwbanken wegens het ophalen
    van Ds. Kok.  f   12,--
    Schipper Cornelis Hoogland ontving in april 1776 aan vracht voor het halen van dominees huisraad uit Alkmaar    f 68,80.
    Ds. Kok ontving wegens zijn voorschot  gedaan voor het laten brengen van zijn huisraad
    naar Alkmaar    f 12,30.
    Als laatste post betaalde de gemeente aan NeeltjeFinnea, "voor een zilveren tabakspot waar Ds. Andreas Kok mee werd vereerd". f 80,45
 
    Aat Wit


UIT DE OUDE DOOS

 

De redactie vond in haar archief een prachtig boekje. Uitgegeven ter gelegenheid van 100 jaar Gereformeerde Kerk Kolhorn. Dat was 1985. De schrijver toen was dhr Luit Visser. De komende kerkbrieven scannen we het boekje, zodat iedereen nog eens terug kan lezen hoe het kerkje aan de Westfriesse dijk in Kolhorn ontstond en bleef.

 

VOORWOORD. (Bij presentatie overzicht 100 jaar Gereformeerde Kerk te Kolhorn ( 1885-1985))

 


In deze brochure vindt u een beschrijving van bijna honderd jaar geschiedenis van de Gereformeerde kerk van Kolhorn. Zij is geschreven door dhr. Luit Visser (geb. 3-1-1908), en is het resultaat van een door hem ondernomen speurtocht door de kerkenraadsnotulen uit deze periode. Naast dit schriftelijke -soms moeilijk toegankelijke- materiaal bestond er voor dhr. Visser ook een andere bron, te weten zijn persoonlijke herinnering. Uit deze laatste bron heeft hij getuige het verslag dan ook veel geput. Zelf is Visser ruim 22 jaar bij de kerk betrokken geweest als koster (vanaf 1942). In diezelfde tijd was hij ook nog tot drie maal toe ouderling in de kerkenraad. Als er iemand betrokken is geweest bij de geschiedenis van de kerk, dan is Visser dat wel.

 

De vermenging van schriftelijke en levende bronnen maakt het genoemde verhaal tot iets bijzonders.

Het zal de lezer niet ontgaan dat deze geschiedschrijving geen 'nostalgische terugblik op honderd jaar gemoedelijkheid in de kerk van Kwantes' is geworden. Daarvoor zijn er teveel passages in het stuk die getuigen van een niet al te gemakkelijke strijd, voor het in stand houden van de gemeenschap, maar ook veelal voor erkenning. Erkenning, niet alleen binnen het 'Noord-Hollandse', maar ook tegenover de 'grotere’ kerken van dezelfde Gereformeerde signatuur. Bovendien getuigen de weerkerende vermeldingen over de financiële stand van zaken van de zorgen die er op dat gebied waren. De Gereformeerde kerk van Kolhorn hoeft nooit een rijke kerk te zijn, maar er moest hard geknokt worden om het hoofd boven water te houden.

 

Toch vertellen ook talloze 'anekdotes' dat het niet alleen een geschiedenis is van zorg, maar ook van geestige gebeurtenissen. Gelukkig. En door alles heen worden mensen zichtbaar, voor wie. het kerkje - ook al is het nog zo klein - niet alleen een vereniging is die zichzelf tot doel heeft, maar van waaruit een boodschap - een evangelie - spreekt dat het Koninkrijk van Jezus betreft.

 

Op deze plaats willen we dan toch ook de dank uitspreken voor al die mensen die bij deze geschiedenis betrokken waren, ook al worden ze in  het verslag niet altijd met name genoemd. En uiteraard gaat er een speciale dank uit naar dhr. L. Visser zelf, zonder wie dit overzicht niet bestond.

Namens de kerkenraad.

Ds. W.Hoogsteen

Kolhorn, 10 jan.1986.


 

OVERZICHT VAN 100 JAAR GERF. KERK KOLHORN.

Door Luit Visser

Of zoals het vroeger ook werd genoemd

"Het kerkje van Kwantes"

 


Als wij proberen een overzicht te geven van wat het wil zeggen 100 jaar Gereformeerde kerk in Kolhorn te zijn; eerst in het kort wat de mensen heeft bewogen zich te onttrekken aan de Ned. Hervormde Kerk en zich aan te sluiten bij de groep, die toen genoemd werd:  de Christelijk Gereformeerde Kerk.

 

Evenals in de 16e en 17e eeuw velen de R.K.Kerk de rug toekeerden en gingen protesteren tegen de gang van zaken daar, (waar de naam protestant vandaan komt) vielen ze toen wel uiteen in weer verschillende kerkgroepen zoals Lutheranen, Remonstranten, Doopsgezinden(of zoals ze toen heetten Mennonieten) en Hervormden en nog vele anderen, maar allen onder een paraplue "Protestant '.'

 

Hier in Noord-Holland had de Hervormde Kerk de meeste macht en invloed (31 oktober wordt nog steeds Hervormingsdag gevierd}.

 

Zo ging het in de 19e eeuw ook weer vanuit de Herv. Kerk, die inmiddels staatskerk was.

 

Duizenden weer ontevreden met de moderne of vrijzinnige leer en prediking, die daar was ingeslopen, verlieten de Herv .Kerk waarin ze soms nog wel gedoopt waren en waardoor zovelen hun leven hadden gegeven om naar de leer van de Bijbel t~ leven en die te verkondigen.

 

De meestal vrijzinnige prediking was oorzaak, dat de Herv.Kerk bijna leeg liep.

 

Grote groepen zegden de Kerk en Godsdienst vaarwel, maar er waren er ook, die de zuivere Evangelieverkondiging zochten, ook hier in Kolhorn.

 

Uit de notulen blijkt, dat er in 1881 al een Jongelingsvereniging was opgericht.

 

Om 's Zondags Gods blijde boodschap te horen ging men soms lopend naar de Anna Paulowna Polder, waar dat mogelijk was.

 

's Avonds kwamen dan de broeders en zusters bij elkaar om de prediking door te vertellen aan hen, die zo'n verre wandeling niet konden maken.

 

Er zijn nog aankondigingsbiljetten in het bezit van de kerk, dat in 1881 een Ds .• Lucas Lindeboom uit Zaandam in Winkel en Kolhorn in een café lezingen hield, waarin hij de mensen probeerde wakker te schudden, om zich te verzetten tegen de leer in de Herv.Kerk, waardoor men op een dwaalspoor werd gebracht.  Dat hing vaak af van de plaatselijke predikant.

 

De Herv.Kerk hier beleefde zelf onder de prediking van een Ds. Bax , dat de kerk te klein werd'. Zoveel invloed ten goede kan iemand hebben als hij volledig in dienst van de Heer wil staan.

Maar 't bleek overduidelijk geen Evangelie of blijde boodschap; (toen Ds.Bax vertrok) liep het weer snel achteruit met het kerkbezoek. De kleine groep, die zich af 'wilde scheiden had versterking nodig om zelf diensten te houden.

En die kwam op een andere manier dan men verwachtte.

 

In,1884 werden de Waard en Groet.-gronden- een brede strook goed land buiten de Westfriese dijk ten oosten van Kolhorn- ingedijkt om zodoende de Zuiderzee geen kans te geven met hoog water de landen te overstromen.

 

Daarvoor waren mensen nodig, die voor onderhoud van de dijken moesten zorgen en daar ook hun beroep van maakten ( steenzetters werden die genoemd) en deze
mensen waren ook afgescheidenen uit de buurt van Werkendam.

Ze moesten de dijken en wegen versterken, maar God zorgde ook, dat de kleine kudde werd versterkt.

In 1875 werden toen al wat schuchtere pogingen gedaan om samenkomsten te beleggen, samen over de bijbel praten, samen bidden en samen te zingen.

Dan hier, dan weer daar zwierf de kleine groep rond.

Bij een Fam.de Bruin aan huis kon dat nog wel, maar bij de andere mensen had men in de kleine huisjes niet veel ruimte .

Maar ook aan dat getob kwam een einde; er stond een gebouwtje leeg waar ook al een herberg in was geweest. 't Pand staat nog aan het begin van de Strook en dat kon men huren en zo kon het gebeuren, dat daar' 's Zondags wat mensen samen hun kerkdiensten hielden. Als men het zo wil noemen, want Kerk is men dan pas
als er ook een kerkeraad is. wettig gekozen en als gemeente geïnstitueerd is door een bestaand college uit naburige gemeenten.

 

Nu werden de kinderen van de kleine groep gedoopt in Dirkshorn, waar anderen lid werden van de Christelijk Gereformeerde Kerk.

Het kleine plantje begon te groeien.

De afstand naar Dirkshorn was in die dagen niet gering en fietsen waren niet bekend en busdiensten nog minder, laat staan auto's.

 

Maar Dirkshorn had toen al een eigen predikant, Anna Paulowna was nog niet zo gelukkig en Schagen helemaal niet. Daar zou nog 60 jaar overheen gaan, eer daar een eigen gemeente kwam.

 

Maar er kwamen nog enkele gezinnen over die in de polder Waard en Groet kwamen wonen of uit de Grote Kerk overliepen en toen kwam het zo ver, dat er in Kolhorn een zelfstandige kerkeraad kon worden gekozen. Ds. Mol uit Dirkshorn heeft daar veel aan bijgedragen. In het jaar onzer Heeren 1885 zoals men zich toen uitdrukte.

Leden van de Chr. Geref. Kerk van Dirkshorn werden zelfstandig.

In een plechtige vergadering met kerkeraadsleden uit Dirkshorn en 2 predikanten uit de classis, een ouderling uit Broek op Langedijk en één uit Anna Paulowna waren aanwezig in het al eerder genoemde lokaaltje. 19 december 1885.

Uit de aanwezigen werd de kerkeraad gekozen met onder andere Br.A.Kwantes, waardoor het kerkje ook zijn naam draagt.

Zoveel mogelijk zouden predikanten worden uitgenodigd, maar er werd veelvuldig leesdienst gehouden. Geldmiddelen had men niet ter beschikking en het lokaal was ongeschikt. 't Was zo laag onder de zolderbalken en een orgel had men niet.

 

Haar men verloor de moed niet.

In februari 1886 liep de huur weer af en dat was aanleiding om te proberen aan een echte kerk te komen en liefst zo spoedig mogelijk. Maar waar?

Het Kolhorn van toen had meer huizen dan tegenwoordig. Alles stond schots en scheef door elkaar, en toch is het gelukt.

Op de plaats waar nu nog de kerk staat moesten een paar hokken worden gesloopt en dat terrein kon men kopen voor f.500,--.

Een daarbij of liever gezegd daar achter staand huisje was ook te krijgen, maar dan moest een hypotheek groot f,600,-- worden afgelost en met een kerk daarop gebouwd zou men een schuld hebben van f.2.600,--.

 

Zelf hadden ze geen stuiver, maar dat kon de broeders niet weerhouden.

Ze maakten plannen om 40 aandelen á f.25,-- uit te geven tegen een rente van 4% en ook aandelen renteloos en de f.600,-- zouden dan door giften en collectes in andere kerken bijeen gebracht moeten worden.

De aflossing van de aandelen zou jaarlijks bij loting van 1 of meer gebeuren.

Geen geld en toch geen zorgen zingt men wel eens, maar dat was niet voor deze jonge gemeente van toepassing. De kerkekas was altijd leeg en die van de diaconie dito.

Het was zelfs zo, dat voor een zieke broeder die gebrek leed(er waren geen middelen om te helpen) de moederkerk van Dirkshorn gevraagd werd een collecte te houden.

De bijstand bestond toen nog niet.

Het lokaaltje moest weer voor een jaar worden gehuurd. In diverse bladen kwamen verzoeken te staan om de mensenwarm te maken om aandelen te nemen met of zonder toezegging van rentebetaling.

Naast zorgen en nog eens zorgen ervoer men ook blijde dingen. Zo vermeld de notulen ergens, dat een broeder uit Alkmaar een compleet Avondmaal servies cadeau gaf. Voor de viering van het Avondmaal werd de consulent aan z'n jasje getrokken.

Bijna elk notulenverslag maakt melding van de viering van het Heilig Avondmaal en de pogingen daarvoor een predikant te vinden.

Maar er zat vaart in het kerkelijk gebeuren. December 1885 een gemeente gevestigd; februari 1886 al plannen om een kerk te bouwen, met geleend geld natuurlijk.




Wij zijn in 1885 beland

 


Men had soms geen geld om naar de Classis te gaan. Aflossing van de aandelen was ook onmogelijk en daarom kunnen wij ook begrijpen, dat in dé vergadering van 26-03-1892 gezegd wordt, dat men overvloedig gezegend is met een gift van een broeder Baardman uit Giessendam van f. 300,-- en dat er een collecte uit een gemeente in Overijssel is ontvangen van f. 2,-- respectievelijk vermeld 06-07-1895 en 27-07-1895.

Met verwondering volgen wij de gebeurtenissen. Voortdurend is er de zorg voor elkaar om in het rechte spoor te blijven.

Leden werden bevestigd, kinderen gedoopt, het Heilig Avondmaal werd regelmatig gevierd.

Zo trouw mogelijk moest de classis vergadering worden bezocht en als er kerkvisitatie werd gehouden, moest alles in orde zijn.

Heel veel moeite kostte het in die dagen om de preekvoorziening voor elkaar te krijgen. En als dat niet lukte werd er een leesdienst gehouden.

Dat alles kwam te rusten op de schouders van een paar mensen,  alsook Catechisatie houden, Zondagsschool, Belijdeniscatechisatie, Huisbezoek, enz. enz. en dat met zo weinig middelen.

We kunnen ook lezen dat de mannen weer bemoedigd waren en dankbaar voor de steunbijdrage van de Particuliere Synode. Zij ontvingen een bedrag van f. 30.--.

 

In 1904 komen wij in de stukken tegen de naam van meneer P.M. Pel uit Stroobos. Genoemde heer had ook meegedaan aan de renteloze aandelen en daarvan kon er één worden afgelost. De heer Pel was de vader van onze emeritus predikant Ds. M.P.Pel, afkomstig uit Witmarsum-Friesland Ds Pel heeft hier in Kolhorn nog 3 jaar hulpdiensten verricht.

Later komén we deze naam van de geldschieter nog weleens tegen, maar dan omdat Pel ongeduldig wordt als het restant van z'n centen wat erg lang uitblijft.

 

De tweede poging om een eigen predikant te krijgen vinden wij in 1916. De kerk bestond toen ruim 30 jaar. Het beroepen van een predikant alleen voor Kolhorn ging niet en nu werd getracht om samen met Anna Paulowna en Wieringen een beroep uit te brengen, maar weer strandde deze poging. Kolhorn kon als haar aandeel niet meer dan f. 100,-- per jaar op tafel leggen en er staat zo berustend bij: “omdat wij maar zwak zijn”.

 

Veel kerken hadden in die dagen last van die kwaal, gezien de talloze brieven om steun of om een collecte uit andere plaatsen.

Als er al aan die verzoeken werd voldaan, varieerden de giften van fl 1,-- tot f. 2,50 al naar gelang de broeders dachten dat er nodig was.

 

In 1918, het jaar dat de eerste wereldoorlog ten einde liep, kreeg men weer moeite om aan huisbrandolie te komen voor de lampen, daarom werd er elektra aangelegd. Dat kon toen in eigen dorp worden opgewekt. (In 1950 is men zich wezenloos heeft geschrokken. Dat beruchte ding was na de sloop gedeeltelijk in een sloot terecht gekomen en bij het schonen van die sloot kwamen de mannen een grote eivormige koker tegen en die werd aangezien voor een projectiel uit de tweede wereldoorlog)

In 1918 was ook de spaarpot wat aangekomen, want toen konden 3 aandelen, die niet renteloos waren gegeven door Ds. Kropveld uit Schoonhoven worden afgelost. Dat spaarde weer f. 3,-- rente per jaar uit.

 

De Evangelisatie in Brabant was ook in bezit gekomen van 11 aandelen uit een nalatenschap van ene meneer J. Mulder, maar dat Evangelisatie comité zat ook te springen om de centen, dus de aandelen moesten worden afgelost f. 275,-- waar haal je die zo gauw vandaan                "

Maar er was een broeder, die nog wat in z'n oude kous had en die wilde de lening overnemen, maar tot een bedrag van f. 250,--

Als de broeders uit Kolhorn dat schrijven aan de deputaten lukt het en nemen ze genoegen met honderd rijksdaalders. Binnen f. 25,-- zo kon je zaken doen in de kerk.

100 JAAR GEREFORMEERDE KERK KOLHORN

DEEL 3

 


Voor de kerkenraad was het ook altijd een hele opgave om een predikant aan te trekken voor bijvoorbeeld doop, avondmaal, bevestiging van lidmaten ( aannemen noemden ze dat), bevestiging van ambtsdragers, censuurgevallen en omdat het vervoer in die dagen ook niet zo eenvoudig was, kwam daar nog bij, dat de predikanten als ze van ver kwamen, ook nog logeren moesten.

De meeste leden hadden om een slaapplaats aan te bieden niet meer dan een bedstee.

Van Ds. Ploos van Amstel uit Amsterdam is nog het verhaaltje bekend, dat hij erg angstig was als het hevig onweerde. Dominee moest dan steevast naar het huisje, de ouderen onder ons kennen ze nog wel, de op 4 paaltjes boven een slootje staande gebouwtjes.

Maar de angstige predikant in z'n nood durfde voor geen prijs alleen op pad,ergo: Dominee naar de plee en z'n hospita mee in 't donker en voor de deur (met het bekende hartje er uit gezaagd) op wacht.

In 1919 heeft de oude broeder Kwantes gevraagd ontheven te worden uit het ambt van ouderling. 40 jaar heeft hij zich ingezet voor kerk en Gods koninkrijk.

 

Al die jaren president van de kerkenraad. Onder zijn leiding werden jonge leden gevormd tot het doen van belijdenis, maar ook als het met een enkeling eens fout ging, vermaand en zo nodig onder censuur gesteld in overleg met de consulent.

 

Van Broeder Kwantes is zeker van toepassing het lied, dat men in die tijd zo graag zong: Grijp toch de kansen door God U gegeven,

Kort is Uw zijn hier,

de tijd snelt daarheen.

En dan de laatste strofe:

Maar wat gedaan werd uit liefde voor Jezus, dat houdt z'n waarde en zal blijven bestaan.

Zo heeft broeder Kwantes geleefd. Schrijver dezes heeft hem nog gekend, eindeloos geduldig met moeilijke mensen, maar strijdbaar voor de zuiverheid van de kerkleer.

 

Het herdenken en terugzien op 100 jaar kerkgebeuren is ook mede te danken aan zijn arbeid uit liefde tot Jezus en het heeft z'n waarde behouden.

 

1919 bracht nog meer veranderingen.

De bejaarde broeder D. Bood die met zijn vrouw JaantjeWai zoveel jaren voor de kerkdiensten zorgde, ging vertrekken naar Andijk, waar al wat van hun kinderen woonden.

Een opvolger was nog wel te vinden, maar zoals al eerder vermeld, de kerkenraad vergaderde in de kosterswoning en dat wilde de opvolger van Bood niet.

De heer v.d.Klooster was geen lid van de kerk en kwam toen hij koster werd, alleen binnen om de kachels en de lampen te verzorgen. Het was dus wel te begrijpen, dat hij de broeders niet graag in z'n huis had. Er moest dus wat gebeuren: een lokaaltje moest worden gebouwd.Het hokje dat achter tegen de kerk aan leunt is toen gebouwd voor f. 490,--

 

Hoe kwam men daar toch weer aan. De oplossing werd gevonden in een broeder met een klein spaarpotje. f. 400,-- werd geleend tegen een rente van 4% per jaar en een aflossing van f. 25,-- per jaar. Maar ook de brandverzekering ging meer kosten, het verzekerde bedrag werd verhoogd van f. 3.200,-- tot f. 6.000,--

 

Er kwamen nog meer veranderingen. Was het in 1844 door de indijking van de polder, dat hier wat meer mensen kwamen wonen, nu80 jaar later waren er weer mensen nodig om te gaan helpen de Wieringermeer droog te maken.

Er komen hier broeders wonen, die ook mede gingen werken aan de opbouw van de kerk. Maar ook waren rondom het terrein van de Kolhorner gemeente mensen die in kampen werden ondergebracht.

Dat werd een zware taak voor de broeders en dus werden daarvoor de predikanten op de Classis gevraagd hoe dat te regelen was.

Plannen werden aangedragen om daarvoor een eigen predikant of kandidaat aan te trekken, die dan vanuit Kolhorn ging zorgendat in het aanstaande nieuwe land het Evangelie gehoord zou worden.

Kolhorn kan daarvoor f. 250,-- per jaar opbrengen. De Classis en Provinciale en ,IJsselmeer-deputaten zouden dan ook over de brug moeten komen. Een afspraak werd al gemaakt met de Gereformeerde Kerk van Medemblik, die ook nauw betrokken was bij de droogmaking van de nieuwe polder.

 

Terwijl plannen worden gemaakt dat kan leiden tot de groei van de kerk, vindt er buiten de grenzen van Kolhorn weer een afsplitsing plaats. Ds.Geelkerken uit Amsterdam meende het nodig te vinden een bepaalde uitleg aan bijbelgedeelten te gevendie niet overeenkwamen met de heersende.

 

Gevolg ..... een schorsing en daarna afzetting uit het ambt van predikant in de Gereformeerde Kerken. Genoemde gaat zelf een kerk stichten en men noemde zich Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband.

In veel kerken kwamen er scheuringen. In de Classis Alkmaar was het op Texel onderleiding van de later zo bekende Ds. Buskes. Een rijke dame schonk hen zo'n bedrag, dat ze er daar een kerk voor konden bouwen. Ook bleef er nog f. 15.000,-- over voor een groep op Andijk, die daar konden bouwen. Een zekere dominee Diepersloot is daar voorganger geweest.

 

Hoeveel leden er met de Gereformeerde kerk braken is mij niet bekend. Kolhorn heeft toen geen veer moeten laten maar de aandacht van de deputaten werd daardoor afgeleid van de Wieringermeer die nog droog gemaakt moest worden.

 

Hoe het zich allemaal heeft afgespeeld vermeldt men niet, maar in 1931 worden de instructies voor Kandidaat Wielinga ondertekend en daarmee had Kolhorn z'n eerste voorganger die op de loonlijst stond, maar Wielinga moest wel zijn arbeid hoofdzakelijk richten op die plaatsen, waar mensen in barakken waren ondergebracht.

Kolhorn werd door het nieuwe aan te winnen land uit het vergeethoekje gehaald; meer erkenning in kerkelijk Nederland.

 

De zegen op de arbeid van Ds. Lindeboom was dat nu vanuit de kerk van Kolhorn naar buiten kon worden gezaaid.

Sluis 1 - het latere Slootdorp - was een plaats waar voor Hervormde en Gereformeerde diensten een gebouwtje beschikbaar werd gesteld ongeveer 8 km. van Kolhorn.

Het kerkbezoek in eigen kerk werd ook beter, er moesten zelfs nieuwe banken worden bijgemaakt. Maar ook moest aan de kerk nogal wat onderhoud worden verricht.

De achtergevel begaf het. Of dat kwam omdat de gemeente zo krachtig zong, of omdat nu de slechte kwaliteit stenen waarvan het gebouw was opgetrokken de oorzaak waren, vermeldt de historie niet.Wel dat het nu weer f.290,-- moest kosten. Daarbij kwam nog dat de kerk ook weer een schoonmaakbeurt nodig had en daarvoor werden wat jonge dochters uit de gemeente gevraagd.

De vergoeding daarvoor was per persoon f. 1,--, daarvoor kon je zelfs toen niet veel kopen, maar het was ook meer een fooi dan een beloning.

 

Maakte ik eerder een opmerking dat Kolhorn nu zelf een eigen voorganger had, maar daarmee is het op de voet volgen van de notulen onmogelijk geworden. Genoemde kandidaat heeft alles uitvoerig genoteerd maar het is bijna niet te lezen.

Wel is te merken dat het nu weer touwtrekken werd wie de meeste aanspraken kon maken op het werk van candidaat Wielinga.             .

Sluis 1 allias Slootdorp of Kolhorn en ook heb ik nog kunnen ontcijferen, dat het geldgebrek een blijvende kwaal is.

Wat dat betreft is er niet eens zoveel veranderd in de eerste 50 jaar dat de gemeente bestaat.

In april 1932 wordt vermeld, dat is ingekomen het afgelopen jaar f. 628,76 en uitgegeven f. 1.141,31 een tekort van f. 512,55. Dus bijna de helft tekort. De diaconie boerde beter, die had een batig saldo van f. 220,55 

In mei van dat jaar komen de broeders ouderlingen van Sluis 1 melden, dat ze een zelfstandige gemeente willen worden.

Dit is een minder prettig besluit, want dan zal candidaat Wielinga ook vertrekken naar Slootdorp.

Nu de gemeente een paar jaar zelf een voorganger in haar midden heeft gehad, wil men nu ook direct pogingen aanwenden om zelf hulpprediker te krijgen. Kolhorn zou dan f. 400,-- per jaar kunnen bijdragen.

Gedacht werd Classis f. 600,. en Generale deputaten f. 1.000,-- en dat is ook zo geregeld zodat de verschillende candidaten zich opvolgen.

Na Wielinga candidaat Oegema, candiaat v.d. Veen, candidaat Fransen en candidaat Visch.

In de dertiger jaren- ook wel de crisisjaren genoemd- kwamen er meer afgestudeerde candidaten vrij dan er, gemeenten waren die een predikant beriepen.

 

In november 1933 lezen we zelfs, dat Kolhorn een drietal samenstelde, waaruit de leden van de gemeente een keuze kon maken. Door het teveel aan afgestudeerden werd het comité ‘Overvloed van Werk en Werkkrachten’ gevormd, die dan ook bereid waren die gemeenten hulp te bieden, die een candidaat konden plaatsen.

 

Kregen ze dan toch een beroep , dan waren ze niet aan een termijn gebonden maar daarom was het in Kolhorn een komen en gaan (. in 2 jaar 5 ) maar toen werd het voor Kolhorn beter. CandidaatVisçh kon 5 jaar blijven. Gelukkig zat Kolhorn goed omdat het aan de Wieringermeer grensde en zodoende veel arbeiders op haar terrein een tijdelijke woning hadden. Zo behielden ze hier de financiële steun van de IJsselmeer deputaten. Dit was een potje,(fonds) gevormd om de nieuwe polders die rondom de Zuiderzee zouden komen, te ondersteunen.

 

Maar de zorg om de centen bleef knellen. Bijna elke maandelijks gehouden vergadering van de kerkenraad is dat een punt van bespreking. Daarnaast gaat er ook veel zorg uit naar de verspreid wonende leden die van elders hier aangetrokken door werk in de nieuwe polder, in hun eigen woonplaats veelal trouwe kerkbezoekers waren, maar het in de verstrooiing lieten afweten. Er gingen zelfs stemmen op om aansluiting te zoeken bij Dirkshorn, maar daar was gelukkig geen meerderheid voor te vinden.

 

De vaste kosten bleven maar drukken. De oplossing zou gezocht moeten worden in een vaste bijdrage, dat elk der leden naar draagkracht zou worden gevraagd. In de naburige gemeente was dat al eerder geregeld met gunstig resultaat.

 

In de Hervormde kerk was die regel ook, maar daar stond de stokt achter de deur (de overheid). Dat was in de Gereformeerde Kerk niet mogelijk. De leden moesten zelf willen bijdragen, zelf verantwoording voelen voor elkaar en de kerk.

 

De dertiger jaren waren berucht geworden door de algemene malaise. Veel werkloosheid en de gezinnen die moesten leven f. 13,-- per week hadden zelfs te kort voor de aller nodigste levensbehoeften, dus ook dat middel gaf uiteindelijk niet alles, al hielp het wel wat.

Bij maandelijkse telling waren het bedragen vanaf f. 25,-- tot f. 50,-- en wij mogen wel aannemen dat het vaak zware offers zijn geweest. Gelukkig dat er sterkere kerken zijn, die zich leenden om te helpen. Men noemde het Hulpbehoevende Kerken in Classis en Provincie.

 

Kolhorn moest daar ook wel iets aan bijdragen in de vorm van collecte, maar de zucht die Paulus ergens slaakt: De kopersmid heeft ons veel kwaad betoond, zal ook nu weer van toepassing zijn in Kolhorn.

In een notulenverslag van december 1936 staat vermeld, dat de heer Pel uit Stroobos nog steeds niet al zijn centjes heeft teruggekregen, die hij als een renteloze lening in aandelen van f. 25,-- had ( het waren er nog 3), maar de broeders moesten om wat geduld vragen, ze konden het nog niet missen.

 

Onze predikant Ds. Pel, zoon van de geldschieter heeft dit niet geweten, wij hebben daar tenminste nooit iets van gehoord en wisten in die tijd daar ook niets van af, daarom is het zo interessant, als je al dat voorgaande eens doorneemt.

Met het gesnuffel in de notulen kom je ook tegen wat in de dertiger jaren betaald werd aan de hulpprediker, dan zijn de voorgangers van nu schatrijk te noemen.

 

De kerk van Kolhorn had in die dagen een heel groot gebied dat onder haar vleugels ressorteerde.

De hele gemeente Barsingerhorn

De hele gemeente Winkel.

De hele gemeente Wieringerwaard.

Een gedeelte van de Wieringermeer.

Een gedeelte van Nieuwe Niedorp.

Een gedeelte van Hoogwoud.

 

Heel dat gebied moesten ze met de fiets doorkruisen om hier en daar de mensen te bezoeken. Twee maal per zondag leverden ze een preek, die toch ook gemaakt moesten worden.

Ze gaven aan diverse groepen catechisatie, ect.

 

Dat alles tezamen werden hulpdiensten genoemd en schrik niet, de vergoeding die daarvoor werd ge geven was f. 125,-- per maand.

Maar candidaat Visch was een kei in het verdedigen van de belangen van Kolhorn. 4 á 5 maal per jaar op de vergadering van de Classis was het knokken om centen los te krijgen. Het was de grote mannen niet altijd zo naar de zin, candidaat Visch streek zeker wel eens tegen de haren in. Het is eens voorgekomen na een stevige discussie, dat tijdens het middagdiner, ze van het konijn in puddingvorm de kop afsneden en aan onze candidaat gaven. Mogelijk kon hij daaruit wat hersens bekomen. Niet leuk natuurlijk, maar dan was het een lust om die rasechte Amsterdammer te horen. Hij kroop altijd wel weer uit de hoek, waarin ze trachtten hem te duwen.

 

In december 1937 werden plannen gemaakt om een eigen predikant te beroepen. Visch was bijna 5 jaar hier werkzaam. Zou het nu eindelijk gelukken?

 

Maar daar kwam nog bij, dat een predikant ook een huis nodig had en wat het traktement betrof, daar zou zeker ook verandering in moeten komen. Waar moest het huis staan. Naast de kerk was het bouwterreintje te klein.

 

Rondom in de naburige kerken zoals de Wieringermeer, Medemblik en Wieringen waren ze al zo ver. Een voordeel was het nu dat, als ze gingen bouwen de bouwkosten niet ·hoog zouden zijn vanwege de economische crisis en werkloosheid.

Na eindeloos vergaderen wordt candidaat Visch beroepen op 17-07-1938 en is ook besloten een pastorie te bouwen.

Twee derde van de bouwkosten moesten wel gedekt zijn. Nadat Visch het beroep heeft aangenomen, wordt de intrede bepaalt op 20-11-1938.

Overal in ons vaderland worden mensen en kerken op de beurs geklopt. In de Classis Haarlem en Classis Enkhuizen wordt met inteken lijsten gewerkt.

Van de laatste genoemden brachten ze f. 300,-- bij elkaar. Na al die acties kwamen de giften en gaven binnenstromen.( druppelen). Grond wordt gekocht op een bouwterrein net buiten het dorpje. (Ansjoviskade)


Wordt vervolgd.